Uit ’t Almanakske, maart 2026 …
Fientje zit op café met een paar vriendinnen, supergezellig, boordevol vertellingen en weetjes, de namiddag vliegt voorbij. Ge weet hoe dat gaat, Chantal zegt: ‘Er zijn regels, er zijn afspraken en er zijn vriendinnen. En als er vriendinnen zijn, dan tellen de eerste twee niet meer mee.’
Voordat Fientje wegging ging ze nog rap een plasje doen. Ze zit nog niet goed neer, of een madam naast heur begint te vragen hoe dat het met haar is. Ze verschiet er lijk van, en stamelt iets van: ‘Goed, goed, dank je.’ Niet te verletten, die vrouw naast haar vraagt zonder boe of ba: ‘En wat ben je aan het doen?’ Het wordt echt gênant, die vrouw heeft precies geen manieren, en Fientje antwoordt bedeesd: ‘Ehwel ja, ik laat de natuur haar gang gaan.’ Waarop dat die vrouwe antwoordt: ‘Mama, ik ga je seffens nog een keer were bellen. Der zit hier nefffens mij een dwaze triene die heel den tijd peinst dat ik tegen heur aan ’t klappen ben.’